Nieuwsarchief

Dit is het Nieuwsarchief van Vos btw-advies. Hier vindt u alle nieuwsbrieven.


Nieuwsbrief - 29 maart 2016

Betreft

  1. Sportaccommodaties om niet ter beschikking stellen
  2. Sport, aangekondigde wetswijziging en fiscale eenheid
  3. Koepelvrijstelling
  4. Uitsluitingsgronden BCF
  5. Factuurvereisten
  6. Overige attentiepunten

 

Het is alweer even geleden dat jullie van mij een nieuwsbrief ontvingen. Er waren weliswaar enke-le ontwikkelingen, echter daarbij was sprake van een ontwikkeling van iets wat al in gang was ge-zet. De ontwikkelingen van de laatste weken zijn echter de moeite waard.

1.    Sportaccommodaties om niet ter beschikking stellen

Uitspraak Hoge Raad:

De Hoge Raad heeft op 18 maart jl. nr. 15/01155, ECLI:NL:HR:2016:424 uitspraak gedaan in een procedure waarin een gemeente haar sportaccommodaties om niet ter beschikking stelt aan basisscholen en tegen vergoeding aan andere gebruikers. De gemeente stelde dat zij de sportaccommodaties gebruikt voor btw-belaste activiteiten omdat sprake is van één onsplitsbare activiteit. De Hoge Raad verwerpt dit standpunt en is het met de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2015 eens dat de gemeente met iedere gebruiker afzonderlijke overeenkomsten sluit en dat het ter beschikking stellen om niet als een zelfstandige handeling moet worden beoordeeld.

Betekenis voor de praktijk:

Deze uitspraak betekent dat voor gemeenten, die hun sportaccommodaties om niet ter beschik-king stellen aan basisscholen, voor deze handeling geen recht hebben op aftrek van voorbelasting. Stelt de gemeente een sportaccommodatie ook btw-belast aan derden ter beschikking, dan zal zij op basis van de werkelijke uren een verdeling moeten maken voor de aftrek van voorbelasting en dit op basis van nacalculatie af moeten rekenen.

Voor gemeenten die gebruik maken van de ‘sportstichting’ of een ‘sport BV’ die een btw-factuur sturen voor het gebruik van de sportaccommodatie die zij exploiteren, heeft deze uitspraak, naar mijn mening, geen betekenis. De sportstichting of sport BV stelt de sportaccommodatie dan im-mers tegen vergoeding ter beschikking.

2.    Sport, aangekondigde wetswijziging en fiscale eenheid

Aangekondigde wetswijziging

In mijn nieuwsbrief van 10 december 2014 heb ik aangegeven dat de staatssecretaris van Financiën een wetswijziging heeft aangekondigd voor de zogenoemde sportvrijstelling. De wetswijziging zal een twee-ledig karakter hebben, namelijk:

  • De vrijstelling zal ook gelden voor de diensten van niet-leden van sportverenigingen en
  • Het ter beschikking stellen van een sportaccommodaties komt ook onder deze vrijstelling te val-len.


Bij de behandeling van het Belastingplan 2016 heeft de staatssecretaris van Financiën nogmaals zijn voor-nemen tot wetswijziging aangegeven. Daarbij heeft hij echter direct gemeld dat, hoewel de aanpassing onvermijdelijk is, hiervoor op korte termijn geen budgettaire ruimte is, Tweede Kamer, Kamerstuk 34302, brief van de staatssecretaris van Financiën van 23 november 2015

Betekenis voor de praktijk

Voor gemeenten heeft de 1e wijziging geen directe gevolgen. Deze wijziging is wel van betekenis voor sportverenigingen. De sportvrijstelling wordt verruimd naar prestaties aan niet-leden. Denk bijv. aan een golfclub waar straks ook de zogenoemde ‘greenfees’ onder de btw-vrijstelling zullen vallen.

De 2e wijziging is voor gemeenten wél van belang. De sportvrijstelling van de btw is van toepassing op instellingen die geen winstoogmerk hebben. Een gemeente heeft, net als een stichting, geen winstoogmerk. Dit zou betekenen dat het ter beschikking van een sportaccommodatie door ge-meenten en stichtingen na de wetswijziging onder de sportvrijstelling zouden vallen. Hiermee ver-valt dan het btw-voordeel voor de gemeenten. BV’s hebben van nature een winstoogmerk, op hen lijkt deze wetswijziging niet van toepassing.

Ik vraag me af of de zienswijze van de staatssecretaris met betrekking tot de 2e wijziging juist is. Hij baseert dit op het arrest van het Hof van Justitie van 16 oktober 2008, nr. C-253/07 (Canterbury Hockey). Ik lees daar echter uit dat het (mede) ter beschikking stellen van een sportaccommodatie door een vereniging aan sporters een bijkomende dienst is bij het primaire dienstbetoon, het be-oefenen van de sport zelf. De uitleg die de staatssecretaris daaraan geeft, brengt met zich mee dat de bedoeling van de wetgever, om met toepassing van het lage btw-tarief, aan de exploitanten van sportaccommodaties een btw-voordeel te gunnen, teniet wordt gedaan. Het betreft immers de dienst (door een gemeente of andere exploitant aan een vereniging) van het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie en het is vervolgens aan de sportvereniging, op wie de btw-vrijstelling voor sport van toepassing is, haar leden en niet-leden gelegenheid te geven hun sport te beoefenen.

Fiscale eenheid gemeente en BV?

Afgelopen week kreeg ik een signaal uit de markt dat de Belastingdienst het standpunt in zou kun-nen gaan nemen (ik druk me bewust voorzichtig uit) dat een gemeente met haar Sport BV, waarbij ik ervan uitga dat de gemeente alle aandelen houdt, een fiscale eenheid voor de btw vormt. De BV vormt dan één onderneming met de gemeente en tezamen hebben zij dan geen winstoogmerk. Dat betekent dat ook de exploitatie van sportaccommodaties door een zogenoemde ‘gemeente-BV’ na de wetswijziging onder de sportvrijstelling zou vallen.

Een fiscale eenheid voor de btw moet aan drie voorwaarden voldoen. Is één van de voorwaarden niet van toepassing, dan is geen sprake van een fiscale eenheid voor de btw.

Het betreft de volgende voorwaarden:

  • Financiële verwevenheid, daarvan is sprake als een gemeente meer dan 50% van de aan-delen in de BV houdt, dan wel dat de financiële gedragingen van de BV worden bepaald door de gemeente;
  • Organisatorische verwevenheid, daarvan is sprake als de lichamen onder een gezamenlij-ke, als eenheid functionerende, leiding staat of als de leiding van de BV feitelijk onderge-schikt is aan de leiding van het andere lichaam;
  • Economische verwevenheid, daarvan is sprake als in hoofdzaak (meer dan 70%) het eco-nomische doel hetzelfde is, dan wel de activiteiten van de BV in hoofdzaak ten behoeve van de gemeente worden uitgeoefend.


De Belastingdienst heeft dan nogal wat ‘hobbels’ te nemen voordat een fiscale eenheid voor de btw kan worden aangenomen. Ik adviseer de gemeenten echter nu al aan de hand van statuten en reglementen na te laten gaan of al dan niet van een fiscale eenheid voor de btw sprake kan zijn. Hier geldt: voorkomen is beter dan genezen.

 

3.    Koepelvrijstelling

Recent heeft de staatssecretaris van Financiën bij beantwoording van Kamervragen (Brief van 15 februari 2016 over btw-plicht gemeenten bij ambtelijke fusies, kenmerk DGB/2015-5904) aangegeven dat straks de koepelvrijstelling van toepassing is als de diensten van de koepel voor 70% of meer (hoofdzakelijk) door de deelnemende gemeenten worden gebruikt voor hun onbelaste overheidsactiviteiten of vrijge-stelde activiteiten. Nu geldt nog een 100%-eis. De staatssecretaris neemt aan dat daarmee de moeilijk-heden zijn opgelost. Dat zal voor een gedeelte het geval kunnen zijn, voor andere zaken echter ook niet

Voldoet een samenwerkingsverband wel aan de 70%-eis, maar niet aan de 100%-eis, dan verricht zij zo-wel activiteiten waarop de koepelvrijstelling en de transparantieregeling van toepassing is en gedeeltelijk niet. De koepelvrijstelling is van toepassing omdat zij niet facultatief is. Het samenwerkingsverband zal haar voorbelasting moeten splitsen en toerekenen aan de verschillende activiteiten, hetzij direct, hetzij indirect via een mengpercentage. Past het samenwerkingsverband op al haar activiteiten de koepelvrij-stelling toe, dan wil dat niet zeggen dat zij alle voorbelasting ter compensatie naar de deelnemende ge-meenten kan doorschuiven. Een gedeelte van de voorbelasting heeft immers geen betrekking op com-pensabele activiteiten. Als de deelnemende gemeenten de voorbelasting op die activiteiten zelf wel ge-deeltelijk hadden kunnen compenseren en/of in aftrek hadden kunnen brengen, ontstaat een btw-nadeel. Immers, het samenwerkingsverband kan die btw niet aftrekken noch ter compensatie door-schuiven.

Samenwerkingsverbanden en gemeenten moeten zich opnieuw beraden op hun fiscale positie. Er kun-nen zich vele situaties voordoen. Een aantal waarbij geen sprake zal zijn van een btw-nadeel en een aan-tal waarbij dit wel het geval zal zijn. Ik adviseer zowel de gemeenten als de samenwerkingsverbanden zich opnieuw op de btw-positie te oriënteren en na te (laten) gaan of zich al dan niet een btw-nadeel voor zal doen. Is sprake van een btw-nadeel, dan kunnen tijdig maatregelen worden genomen dit nadeel naar de toekomst toe te voorkomen.

 

4.    Uitsluitingsgronden BCF

Zoals bekend bevat het BTW-compensatiefonds (BCF) twee uitsluitingsgronden, kort gezegd, voor indivi-duele verstrekkingen en vrijgestelde activiteiten. Mijn ervaring is dat de Belastingdienst deze uitsluitin-gen ruimhartig toepast. Als er maar een individu is zou een uitsluiting van toepassing zijn.

Uit de publicatie van de VNG van 19 februari 2016 over crisisopvang van asielzoekers blijkt dit genuan-ceerder te liggen. Uit onderdeel 2 blijkt dat bij een steeds wisselende groep asielzoekers geen sprake is van individuele derden. Dit is niet nieuw. Ook in de brief van de staatssecretaris van Financiën aan de VNG van 25 november 2014 over de problematiek rondom Wmo en Jeugdwet wordt een zelfde lijn ge-volgd.

Deze lijn kan ook heel goed worden doorgetrokken naar de re-integratie of andere doelgroepen. De per-sonen die een beroep doen op voorzieningen, staan niet bij voorbaat vast. In dat geval is, naar mijn me-ning, geen sprake van de uitsluitingsgrond voor individuele verstrekkingen. In de praktijk blijkt de Belas-tingdienst hier niet altijd mee om te gaan zoals de staatssecretaris naar buiten ventileert.

Ik adviseer gemeenten niet te snel akkoord te gaan met correctievoorstellen voor het toepassen van uitsluitingsgronden in het BCF. Hierbij geldt ook dat degene (de Belastingdienst) die zich daarop beroept aannemelijk zal moeten maken dat de uitsluitingsgrond van toepassing is. Dat brengt een redelijke ver-deling van de bewijslast met zich mee. In de praktijk blijkt helaas dat deze bewijslast nogal eens – ten onrechte – wordt omgedraaid.

 

5.    Factuurvereisten

De Belastingdienst controleert de laatste jaren (vrijwel) uitsluitend op grond van steekproeven. Daarbij worden een aantal facturen ‘getrokken’ en beoordeeld. Het belang is groot omdat ieder btw-bedrag op de factuur staat voor een veel groter bedrag (de taint).

Iedere factuur moet aan een aantal wettelijke voorwaarden voldoen. Voldoet de factuur daar niet aan, dan kan correctie op basis van de steekproef plaatsvinden, waarbij deze fout ook aan andere jaren wordt toegerekend, de extrapolatie.

Nu heeft de Hoge Raad al eerder beslist dat kleinere fouten in een factuur er niet toe mogen leiden dat de daarop vermelde btw niet voor aftrek en/of compensatie in aanmerking komt. Voorwaarde is wel dat de presterende- en afnemende ondernemer identificeerbaar moeten zijn. Ook omschrijving van de acti-viteit, vergoeding en vermelding btw-zijn absoluut noodzakelijk.

Recent hebben de Advocaten-Generaal Kokott en Bot van het Hof van Justitie in een tweetal zaken hun conclusies uitgebracht. Uitkomst van beide conclusies is dat facturen gecorrigeerd en/of aangevuld mo-gen worden, ook al wordt bij een controle geconstateerd dat deze niet (geheel) aan de factuurvereisten voldoen. Voorop moet staan dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan. Zo moet de Belastingdienst kunnen controleren of de afnemer recht op aftrek heeft. Al eerder heeft het Hof van Justitie beslist dat de materiële voorwaarden belangrijker zijn dan het voldoen aan bepaalde formele voorwaarden (Hof van Justitie 11 december 2014, C-590/13 (Idexx)).

Voor de praktijk betekent dit dat gemeenten, voordat zij de btw-bedragen op de facturen als aftrekbare- en/of compensabele btw boeken, na moeten gaan of de factuur aan de formele voorwaarden voldoet. Dit betekent niet dat bij het minste of geringste de factuur voor correctie/aanvulling moet worden terug-gezonden. Het belangrijkste blijven de materiële voorwaarden. Heeft de gemeente de opdracht ver-strekt en is de gemeente tevens afnemer van de prestatie.

6.    Overige attentiepunten

6.1.    Uitleg sociaal-culturele vrijstelling

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 21 januari 2016, C-335/14 (Les Jardins de Jouvence) blijkt dat er al snel sprake is van bijkomende prestatie bij sociaal-culturele activiteiten. In deze zaak ging het om het door een instelling voor bejaardenzorg ter beschikking stellen van een assistentenwoning.

6.2.    Optreden als overheid door een BV

Saudaçor, een door een Portugees overheidslichaam opgerichte BV, voert een overheidstaak op het ge-bied van gezondheidszorg uit van dat overheidslichaam. Het Hof van Justitie beslist dat ook de BV, voor zover haar handelwijze valt onder overheidstoezicht, optreedt als overheid.

6.3.    Symbolische vergoeding

In een procedure over een scholenconstructie heeft advocaat-generaal Ettema bij de Hoge Raad haar conclusie op 29 december 2015 uitgebracht. Met betrekking tot een symbolische vergoeding merkt zij op dat dit een subjectief begrip is en dat elke vergoeding  die tussen onafhankelijke partijen wordt over-eengekomen in beginsel een ‘bezwarende titel’ is. Ook een hele lage vergoeding is resulteert in een btw-belaste activiteit.

6.4.    Uitspraak sportaccommodatie

Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 8 oktober 2015 uitspraak gedaan over de vraag of het ter beschik-king stellen van een tennisaccommodatie door een stichting aan een vereniging al dan niet btw-belast is met het lage btw-tarief. De stichting huurt de accommodatie van de gemeente die de accommodatie vroeger rechtstreeks ‘verhuurde’ aan de vereniging. In tegenstelling tot de rechtbank, oordeelt het Ge-rechtshof Amsterdam dat wél sprake is van een btw-belaste activiteit waarop het lage btw-tarief van toepassing is. Naar ik heb begrepen heeft de staatssecretaris van Financiën tegen deze uitspraak cassatie ingesteld.

6.5.    Samenwerkingsvrijstelling

Rechtbank Gelderland heeft in zijn uitspraak van 24 maart 2016 geoordeeld dat de samenwerkings- of koepelvrijstelling ook van toepassing is bij prestaties aan getrapte leden. Het betreft hier een beroeps-vereniging van (aspirant)artsen met een federatief karakter.

6.6.    Vrijwillige bedrijfsplaatsing geen btw-belaste dienst

De Rechtbank Den Haag oordeelde op 5 november 2015 dat bij een bedrijfsverplaatsing, waarbij de ge-meente handelde in het algemeen belang, de schadeloosstelling geen vergoeding is voor een btw-belaste prestatie. De schadeloosstelling heeft betrekking op de door de ondernemer na de verplaatsing te maken kosten. Hierdoor is geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de schadeloosstelling en de kosten voor de bedrijfsverplaatsing.

Deze uitspraak is opmerkelijk omdat tot dusver altijd is aangenomen dat een schadeloosstelling bij een vrijwillige bedrijfsplaatsing altijd moet worden aangemerkt als de vergoeding voor een btw-belaste dienst.

6.7.    Exploitatie uitvaartcentrum is geen verhuur

Rechtbank Den Haag oordeelde 30 juni 2015 dat de aankleding en inrichting van een uitvaartcentrum en het aanstellen van een beheerder zich uitsluitend leende voor een specifiek gebruik van de onroerende zaak. Hierdoor is het passieve karakter van de verleende dienst verloren gegaan en is geen sprake van vrijgestelde verhuur, maar van een btw-belaste dienst.

Deze uitspraak onderstreept eens te meer dat bij het ter beschikking stellen van aangeklede en ingerich-te ruimtes in een multifunctionele accommodatie, waarbij een beheerder toezicht houdt, geen sprake is van verhuur, maar van een andersoortige btw-belaste dienst.

6.8.    Antwoord Kamervragen verkoop grond

Bij verkoop van bouwterreinen treden gemeenten op als ondernemer. Bij verkoop van bouwterreinen door derden brengt de gemeente de kosten voor het aanleggen van de openbare voorzieningen in reke-ning bij de projectontwikkelaar via een – meestal anterieure – exploitatiebijdrage. Enkele gemeenten brengen de exploitatiebijdrage, afzonderlijk van de vergoeding voor de grond, via een onbelaste exploi-tatiebijdrage rechtstreeks in rekening bij de kopers. Dit brengt een lagere btw-druk met zich mee omdat ‘slechts’ btw drukt op de vergoeding voor de bouwgrond, terwijl dat niet het geval is bij de exploitatiebij-drage.

In zijn antwoord aan de Tweede Kamer van 10 juli 2015 schrijft de staatssecretaris van Financiën dat ge-meenten op basis van de Wet ruimtelijke ordening verplicht zijn de kosten van de grondexploitatie te verhalen. Als de gemeente geen grond levert, moet de gemeente die kosten via een exploitatiebijdrage verhalen. Hiermee lijkt de staatssecretaris van Financiën aan te geven dat deze handelwijze correct is. Voorwaarde lijkt wel te zijn dat de gemeente niet zelf de grond levert. Dit is echter niet zeker.

Als jullie vragen hebben over deze onderwerpen, aarzel dan niet om contact met mij op te nemen.

Met vriendelijke groet,
Gert Vos btw-advies
Gert Vos


Nieuwsarchief

Nieuwsbrief van 27 juni 2016
Betreft: 2016-06-27 Nieuwsbrief uitspraak HvJ Woerden Lees meer in de Nieuwsbrief van 27 juni 2016.
Nieuwsbrief van 21 juni 2016
Betreft: 1. Leerlingenvervoer 2. Sport, ter beschikking stellen om niet 3. Verkoop woning met grasland 4. Overige attentiepunten Lees meer in de Nieuwsbrief van 21 juni 2016.
Nieuwsbrief van 29 maart 2016
Betreft: 1. Sportaccommodaties om niet ter beschikking stellen 2. Sport, aangekondigde wetswijziging en fiscale eenheid 3. Koepelvrijstelling 4. Uitsluitingsgronden BCF 5. Factuurvereisten 6. Overige attentiepunten Lees meer in de Nieuwsbrief van 29 maart 2016.
Nieuwsbrief van 1 juni 2015
Betreft: 1. Aftrek van btw 2. Teruggaaf btw bij niet betaalde vergoeding 3. Nieuwe wending btw-constructie scholen? Lees meer in de Nieuwsbrief van 1 juni 2015.
Nieuwsbrief over aangepast Sportbesluit
Soms volgen de ontwikkelingen elkaar snel op. In de Staatscourant van vandaag is het Voorschrift Tabel I gepubliceerd. Het is het besluit van 4 september 2014. Er zijn op onderdelen wat wijzigingen doorgevoerd die ik hierna puntsgewijs aangeef. Lees meer in de Nieuwsbrief over aangepast Sportbesluit.
Nieuwsbrief van 25 augustus 2014
Op 17 juni jl. heb ik jullie op de hoogte gebracht van een voorgenomen wetswijziging met betrekking tot de sportvrijstelling en het ‘het gelegenheid geven tot sportbeoefening’. Afgelopen woensdag heeft de staatssecretaris van Financiën Kamervragen beantwoord. Lees in de Nieuwsbrief van 25 augustus 2014.
Nieuwsbrief van 29 juli 2014
Btw en de drie decentralisaties. Met ingang van 2015 krijgen de gemeenten meer taken en verantwoordelijkheden. Het gaat om de volgende taken: Ondersteuning en verzorging uit de Awbz worden overgeheveld naar de Wmo; Uitvoering van de Participatiewet (samenvoeging WWB, Wsw en Wajong) komt bij de gemeenten en Gemeenten worden verantwoordelijk voor de jeugdzorg. Lees meer in de Nieuwsbrief van 29 juli 2014.
Nieuwsbrief over Samenwerkingsverbanden
Gemeente worden meer en meer “gedwongen” op allerlei gebieden samen te werken. Voor de btw geldt een vrijstelling als de samenwerkingsvrijstelling of het leerstuk van de kosten voor gemene rekening van toepassing is. Lees meer in de Nieuwsbrief over Samenwerkingsverbanden.
Nieuwsbrief van 30 november 2012
Uitspraak procedure gemeente Moerdijk btw-belaste exploitatie multifunctioneel centrum Vrijdag 30 november 2012, heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de proefprocedure die mijn veel te jong en te vroeg (18 november 2008) overleden collega Ingrid Vos en ik in onze EFK-periode in 2007 voor de gemeente Moerdijk zijn gestart. Mede door de inzet en het niet aflatende enthousiasme van Ingrid is deze procedure voor de gemeente uiteindelijk met succes afgerond. Lees meer in de Nieuwsbrief van 30 november 2012.
Nieuwsbrief van 7 december 2012
Hoge Raad 7 december 2012, terbeschikkingstelling theaterzaal is btw-belaste dienst Vandaag heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de cassatiezaak van de gemeente Hellevoetsluis. Het betreft cassatie tegen de uitspraak van het Hof den Haag van 10 mei 2010, waartegen zowel de gemeente als de staatssecretaris cassatie hebben ingesteld. De Hoge Raad beslist in deze zaak dat de terbeschikkingstelling van een kleine theaterzaal is aan te merken als een btw-belaste dienst, niet zijnde verhuur. Hiermee heeft de Hoge Raad de lijn van de laatste weken in zijn uitspraken over de strikte uitleg van het verhuurbegrip voortgezet. De praktijk heeft met deze serie uitspraken duidelijkheid gekregen over de zogenaamde verhuur+. Lees meer in de Nieuwsbrief van 7 december 2012

Home